Column Anne Van Lancker: De grote uitkeringsleugen
Minder uitkeringen zouden meer mensen aan het werk helpen. Onze voorzitter Anne Van Lancker legt de eerste cijfers naast die belofte en vraagt wat er gebeurt met mensen die hun uitkering verliezen.
Bij de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen wil de regering doen geloven dat het schrappen ervan leidt tot positieve tewerkstellingseffecten. De memorie van toelichting bij de programmawet zegt: “De onderhavige hervorming van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen beoogt van de werkloosheidsverzekering een dynamisch instrument te maken ten dienste van de terugkeer naar werk, in overeenstemming met het in het federale coalitieakkoord vastgestelde doel om tegen 2029 te evolueren naar een werkgelegenheidsgraad van 80 %.” Verder wil de regering de langdurige precariteit bestrijden door de duur van de werkloosheid te verkorten, de terugkeer naar werk te versnellen en de ondersteuningsmaatregelen doeltreffender te richten op de meest kwetsbare groepen.
Op 1 juli is de vierde golf in de hervorming ingezet. Wie één jaar werkloos is en niet ten minste vier maanden beroepsverleden kan bewijzen, valt zonder werkloosheidsuitkering.
Tijd voor een lakmoesproef. Hoe is de situatie vandaag voor wie sinds januari zonder uitkering viel (99.144 van januari tot en met juni 2026)? Aanvankelijk luidde het dat zowat een derde een job zou vinden, een derde een leefloon of een andere uitkering zou aanvragen en een derde uit de statistieken verdwijnt.
De cijfers – die met veel vertraging gepubliceerd worden – laten een andere realiteit zien. Bij de eerste groep van werkzoekenden die hun recht verliezen, zij die langer dan 20 jaar werkloosheidsuitkeringen ontvingen en jonge schoolverlaters met een inschakelingsuitkering sinds meer dan een jaar, raakt slechts 5,6% aan het werk. In maart – wanneer ook wie meer dan 8 jaar werkloosheidsuitkeringen ontving zijn recht geschorst ziet – werkt nog steeds maar 10,3%. Natuurlijk gaat het over werkzoekenden die erg ver van de arbeidsmarkt staan. Maar toch: het resultaat is ver verwijderd van wat voorspeld was.
Zowat 8,8% van wie zijn uitkering verliest verhuist naar de ziekteuitkering. Tussen januari en juli deed iets meer dan de helft (53%) een aanvraag voor het leefloon. Aan 83% van de aanvragers – vooral alleenstaanden, eenoudergezinnen en gezinshoofden – werd dat ook toegekend; bij anderen werd de aanvraag afgewezen, wellicht omdat ze samenwonen met een partner met een inkomen. Dat houdt in dat 37% uit de statistieken verdwijnt en terechtkomt in een vergeetput waar niemand hen nog ziet. Voor hen zal dan ook geen beleid gevoerd worden. Wat zeker is, is dat deze groep de armoedecijfers in de komende jaren serieus de hoogte in zal duwen.
Al die mensen zullen niet vanzelf bijdragen aan een verhoging van de werkgelegenheidsgraad. Daarvoor is een goed uitgebouwd actief arbeidsmarktbeleid nodig dat zorgt voor ondersteuning bij hun professionele integratie. Dat is er momenteel allesbehalve. Onbegrijpelijk dat er voor de invoering van deze ingrijpende hervorming geen sluitende afspraken gemaakt werden met de gewesten en gemeenschappen over re-integratie. Wie had het ooit over ‘constructief federalisme’ waar de deelstaten en de federale staat samenwerken in het belang van de burgers?
De Vlaamse sociale partners lieten horen dat bijkomende investeringen nodig zijn in begeleiding en opleiding, vooral voor werkzoekenden ver van de arbeidsmarkt. Er moet ook een betere samenwerking komen tussen de VDAB en de OCMW’s, waar het merendeel van wie zijn werkloosheidsuitkering verliest terechtkomt. Hun diagnose is duidelijk: zonder kwaliteitsvolle jobs, toegankelijke ondersteuning en een adequaat sociaal vangnet zal de hervorming zich vertalen in hogere maatschappelijke kosten voor de OCMW’s, in de gezondheidszorg en in de schuldhulpverlening. Maar in de praktijk bouwt Vlaanderen zijn investeringen in opleiding en begeleiding verder af en stelt de nieuwe beheersovereenkomst van de VDAB dat er vooral zal worden ingezet op activering van mensen met voldoende arbeidsmarktpotentieel.
Wat met aangepast werk? Er zijn 1.000 bijkomende plaatsen beloofd in de sociale economie. Maar dat is duidelijk onvoldoende om deze grote groep vooral kortgeschoolde werkzoekenden aan een job te helpen. Van de beloofde samenlevingsjobs is voorlopig geen spoor te zien. En het is intussen duidelijk dat de groeiende groep flexi-jobbers een grote hap wegneemt uit hun tewerkstellingskansen.
Voor het actief arbeidsmarktbeleid behoort België in Europa tot de middenmoot. Wij investeren 0,6% van het bbp in activeringsmaatregelen. Meer dan Frankrijk of Nederland, maar veel minder dan Denemarken (1,5%) of Zweden (1,2%). Per 100 werkzoekenden nemen er in België 48,2 deel aan activeringsmaatregelen, tegenover 61,2 in Denemarken. Bovendien gaat het actief arbeidsmarktbeleid in België voor meer dan twee derde naar loonsubsidies en vermindering van sociale zekerheidsbijdragen voor de werkgevers, waarbij niet altijd voor effectieve doelgroepgerichte maatregelen wordt gekozen. Nochtans wijzen alle onderzoeken uit dat bemiddeling en begeleiding veel efficiënter zijn om werkzoekenden die ver van de arbeidsmarkt staan opnieuw aan de slag te helpen. Opinieonderzoek toont ook dat begeleiding van werkzoekenden even populair is als sancties en disciplinerend activeren.
Dat rechtse partijen in België overtuigde aanhangers zijn van de voor-wat-hoort-wat filosofie was al lang duidelijk. Dat partijen zoals cd&v en Vooruit die geloven in sociale rechtvaardigheid zich laten overtuigen door mooie beloften in de memorie van toelichting is te gek voor woorden.